Stemmen

Om een of andere reden weet ik het onderwerp van gesprek te veranderen. De disgenoten hebben het eerst niet door, maar ik weet het onderwerp te verschuiven en raak de intieme kant, waar niet iedereen op zit te wachten. Sterker nog, enkele tafelgenoten schuiven hun stoel naar achter en maken aanstalte van tafel op te staan. Ik dwingt hen met mijn ogen om te blijven zitten. Onrustig draaien zij in hun stoel, maar gehoorzamen aan mijn zachte dwang.

Eerst keuvelen ze nog wat, de fles wijn gaat rond en een enkeling steekt een sigaret op. Dan stokt het gesprek. De stilte die volgt is te lang om onopgemerkt te blijven, vragende blikken worden gewisseld, wenkbrauwen worden opgetrokken en weer lijken enkele disgenoten de tafel te willen verlaten.

Dan gaat de schuifdeur open.

Uit de kamer en suite komt het geluid van een snaarinstrument en een vrouwenstem die zachtjes huilend zingt. Haar stem slaat over.

Aan tafel keren alle hoofden zich richting de muziek, men luistert zwijgend.

Aan tafel zitten mijn ooms en tantes, een paar neven en nichten, natuurlijk mijn grootmoeder, geflankeerd door pastoor De Lange, de leraar geschiedenis meneer Winter. Het is mijn oom Joris, die het hoogste woord voerde, die nu met enigszins angstige blik naar de de voorkamer kijkt. We kunnen de vrouw niet zien, maar het lijkt alsof zij een kind in haar armen draagt. En het zou ons dus niets verwonderen als haar tranen op het hoofd van de baby terechtkomen, dat haar de ogen gesloten heeft en niet ademt. 

Eigenlijk hoort de muziek van het snaarinstrument niet bij de zang, het lijkt een eigen leven te leiden. Het verandert regelmatig van snelheid en toonaard terwijl de vrouwenstem dezelfde melodie blijft zingen. 'O wee, zij die in mijn armen ligt, wiegen zal ik je tot mijn armen niet meer kunnen bewegen, bezingen zal ik je tot mijn stem verstokt, huilen zal ik tot elke druppel water aan mijn lichaam onttrokken is...' De stijlkleur van de gitaar verandert van licht klassiek, naar jazz en pop, soms ritmisch, soms verstild. 

Mijn ooms kijken elkaar veelbetekend aan, en ik zie tranen in de ogen van de tantes en nichten. De neven proberen zich groot te houden, maar zijn onmiskenbaar geroerd. Onrustig spelen ze met het bestek van het nagerecht dat nog niet is geserveerd.

De maaltijd was copuleus geweest, je zou kunnen zeggen een beetje overtrokken, gezien de tijdgeest waarin bescheidenheid en duurzaamheid de boventoon voeren. Allereerst hadden zij een koude pastei gegeten, gemaakt van hertenvlees uit de Oostvaardersplassen, aangezet met een paddestoelensaus, waarvan je niet met zekerheid kon zeggen of er niet een giftige tussen zit. Daarna hadden we een heldere consomme voorgeschoteld gekregen, boulion getrokken van een nuchter kalf, waarin croutons dreven, knapperig gebakken in verse reuzel. De parelhoen was gerold in Mechelse spek, knapperig gebakken en gelardeerd met verschillende in reepjes gesneden rauwe wortelen, aardperen en knollen. Het hoofdgerecht bestond uit speenvarken dat aan tafel werd aangesneden. De kaas die daarna volgde was overdadig geweest, de rode wijn die erbij werd geschonken maakte de tongen weemoedig.

De schuifder werd door onzichtbare handen opengedaan en de muziek had geklonken. Toen de vrouwenstem aarzelend begon te zingen, verstomde alle stemmen aan tafel. Men vermoedde meteen dat het om een baby ging, alsof iedereen op de hoogte was van de situatie, wat geenszins het geval is; niemand had kunnnen vermoede waar het precies om ging. In de andere kamer zit een vrouw met een kind in haar armen te huilen en speelt een jong meisje op een te grote akoestische gitaar. 

Dan staat een van mijn ooms op en sluit de schuifdeur heel langzaam. De wieltjes kraken in de rails. De vrouwenstem verdwijnt achter de gekleurde glas in lood ramen. Mijn tantes drogen hun tranen en mijn oom richt zich tot de pastoor: 'Bent u geroerd eerwaarde?' De man knikt minzaam, alsof hij wil zeggen dat hij dit al zo vaak heeft meegemaakt, dat het hem wel raakt, maar dat hij daaraan geen uiting meer geeft. De leraar buigt voorover en legt zijn voorhoofd op het tafellinnen, een glas wijn valt om en maakt een grote rode vlek naast zijn hoofd, oma dept met haar servet het linnen droog en keert een potje zout om over de vlek. De zoutkristallen kleuren roze.

In de belenende kamer kraakt het parket. 

De leraar prevelt onverstaanbare woorden. Hij is duidelijk aangedaan. Mijn tante Sjaan wil haar hand op zijn hoofd leggen maar wordt weerhouden door twijfel. Ze legt haar hand in haar schoot, en kijkt ernaar alsof zij niet zelf die hand daar heeft neergelegd, ze beweegt haar vingers en knijpt in haar jurk, waardoor deze tot halverweg haar dijen opschuift. Ik houd mijn adem in.

Ook mijn oom heeft dat gezien en ziet geschokt mijn reactie, terwijl ik naar de dijen van mijn tante kijk. Beschaamd sla ik mijn ogen neer en probeer mijn aandacht te verleggen. Als ik weer opkijk zie ik het stralende gezicht van mijn oom. Mijn tante heeft gelukkig niets in de gaten. Steels kijk ik naar haar dijen.

Langzaam komt het gesprek weer op gang, men probeert zoveel mogelijk het onderwerp baby te vermijden en niemand praat over de klanken van de snaren of de stem van de huilende vrouw. De leraar zit weer overeind en veegt het zout van zijn slaap, mijn oma kijkt verstoord op en geeft aanwijzingen aan de meisjes hoe het nagerecht moet worden binnengebracht. Het beloofd iets moois te worden.

In de belendende kamer wordt een gordijn dichtgetrokken.

Ergens moet iets fout zijn gegaan.