Khatia

Van meet af aan is het goed gegaan, zij kan met een gerust hart, met dezelfde overtuiging als altijd, het publiek tegemoet treden. Letterlijk, want de deur is nog niet open of er komt al een aarzelend applaus over het podium aanwaaien. En met het openen van de deur golft een overweldigend geraas haar tegemoet. Ze had het voorgevoeld toen zij die ochtend voor het hotel de drommen mensen had zien staan. Voorzichtig had zij het gordijn opzij geschoven. Haar adem had even gestokt. Ze durfde zichzelf niet laten zien, nog niet. 

De zaal is tot aan de engelenbak gevuld. Het zaallicht brandt nog. Daar staan ze, wild applaudisserend: de oren die zij vanavond moet zien te bekoren. Ze is er klaar voor.
De haren op haar armen gaan overeind staan en kleine druppels zweet ontpoppen zich aan de oppervlakte van haar huid. De trap naar het podium is lang. Bij iedere stap klinkt het applaus luider. De dirigent, hij loopt achter haar. -vreemd genoeg kan ze niet op zijn naam komen, terwijl ze een aantal weken intensief met hem heeft samengewerkt, - ademt zwaar, en lijkt haar vooruit te willen duwen, ze voelt dat hij zijn handen op haar heupen wil leggen, maar ze draait behendig en ontwijkt zijn intimidatie.     

(zonder correctie)

Zit in ieder van ons een vrouw verborgen? Man, vrouw, transgender, seksueel of a-seksueel. De moeder de hoeder. Het verzorgende, het beschermende, het gevoelige. De warme kant, vanuit de onderbuik, waar de warme gloed omhoog borrelt. Alert voor iedere emotie, alles overdenkend en vooral vooruitdenken. Alle scenario's zijn mogelijk, op elk gevaar voorbereid, niet alleen van het zelf maar vooral van de ander. Want de hoeder waakt over het kroost.

[De verschillende hoofdstukken zullen in de loop der tijd worden aangevuld / herschreven of vervangen worden.]

1. Khatia wijst. Ze wenkt naar een bewaker en wijst dan naar mij, heel even, ze kijkt me niet aan. Even is daar die vinger en een vlugge blikwisseling met de man die even later op mijn schouders zal tikken. Voor nu, zie ik haar over het rode loper naar de limousine lopen. De fotografen klikken de laatste prenten en verspreiden zich over het plein. In mijn hoofd klinken, als een echo, nog de tonen van de laatste mazurka door.

Ik zie haar rond achterwerk als ze de limo inkruipt. Als ze zit, steekt ze nog even haar krullend haar en haar rood geverfde lippen buiten de auto, haar ogen lachen uitnodigend naar me. Ik weet me geen raad. En dan wordt er op mijn schouder getikt. “Komt u maar mee, meneer”, ze wil u spreken.